Skip to navigation | Ga naar menu

Niet het huis van een koffiehandelaar maar van ……

1 juni 2019

In allerlei beschrijvingen lees je dat in de Sint Nicolaassstraat veel koffie- en theehuizen waren. Aangenomen werd dat ook op nummer 58 een koffiehandelaar of koffiehuis zat. Maar dat bleek toch niet zo te zijn. Onno Broers ontdekte toevallig waar de afbeelding voor stond. Kom er ook achter en lees meer over de Amsterdamse handel en koffieplantages in Suriname.

In 1729 blijkt dat het hoekpand aan de Nieuwezijds Voorburgwal bij de verkoop aan Gijsbert Rebel omschreven wordt als ‘waar De Prins van Oranje’ uithangt. Het aansluitende huis in de Sint Nicolaasstraat, nu nummer 58, was ‘naamloos ‘. Gijsbert Rebel is pakker van beroep, een pakker was iemand die goederen in vaten, kisten, balen etc. verpakte voor verzending.
Na zijn dood verkopen de erven in 1752 beide panden. Het hoekhuis wordt omschreven als ‘waar de Gekroonde Koffiebaal uithangt’ en het pand in de Sint Nicolaasstraat als ‘waar het Surinaamse Koffievat in de gevel staat’. Het verschil met uithangt en in de gevel staan is dat bij het eerste een uithangbord bedoeld wordt en bij het tweede staat er iets op of in de gevel. In dit geval dus op een gevelsteen.

Gevelsteen van na 1729

De steen met het liggende vat waar, volgens het opschrift koffiebonen uitrollen, is gezien de eenvoudige, onversierde voluten aan de zijkanten, te dateren in de eerste helft van de 18e eeuw. Daar de koffieproductie vanuit Suriname vanaf 1724 begon te lopen, pleit ook dat ervoor dat Gijsbert Rebel de gevelsteen heeft laten aanbrengen als verwijzing naar zijn beroep; hij was immers pakker. Tot voor kort werd aangenomen dat de steen een reclame was voor een gespecialiseerde koffiehandelaar maar een recente vondst toont aan dat dat een foute aanname was.

Koffievaten in een scheepswrak gevonden

In 2002 publiceerde Jeroen Lückers een studie naar een onderzoek van een midden 18e-eeuws Nederlands scheepswrak ten noorden van Texel. Het schip bleek geladen met ruim honderd houten vaten koffie en een aantal zakken met cacaobonen. Gespecialiseerd onderzoek bracht aan het licht dat de koffievaten van ongeveer 1,15 m hoog, bestaande uit duigen, hoepen en dekseldelen, voornamelijk gemaakt waren van de tropische houtsoorten Anderoba, Vinhatico en Wallaba die veel voorkomen in Suriname. De hoepen waren gemaakt van lianen. De vaten zullen in Suriname gemaakt zijn want in de slavenregisters, die van alle plantages gemaakt zijn, wordt regelmatig melding gemaakt van een slaaf met als beroep vatenmaker. Zij waren trouwens veel meer waard dan de gewone slaafgemaakten. Maar wat niet genoeg bekend was, is dat koffie blijkbaar niet alleen in zakken vervoerd werd naar Amsterdam maar ook in houten vaten en dat er dus in die Surinaamse vaten gehandeld werd.

De gevelsteen T SERNAEMS KOFFIVAT was dus niet een aanduiding van een koffiehandelaar maar reclame voor het bedrijf van pakker Gijsbert Rebel, die deze bijzondere vaten verhandelde en gebruikte.
In 1742 blijkt op dit adres de theewinkel te zijn van Joh. Bont, die ongetwijfeld ook koffie zal verkopen. Er waren op dat moment 64 koffie- en 14 theewinkels in onze stad. Joh. Bont was met zijn f. 1.000,- inkomen niet de minste van hen.

Ontstaan, groei en neergang van de Surinaamse koffieplantages

Koffieplantjes gekweekt in de Botanische Tuin
In Suriname kwamen geen koffieplanten voor totdat in 1706 een aantal koffieplantjes uit Java in de Botanische tuin in Amsterdam opgekweekt werd in verwarmde plantenkassen. De planten die daaruit voortkwamen, werden rond 1712 naar Suriname verscheept. De planten groeiden daar zeer goed, zodat in 1718 de eerste koffiebonen naar Amsterdam, naar de Geoctroyeerde Soiëteit van Suriname, verscheept werden. Dat gebeurde met het schip ‘De Vrijheid’. De Sociëteit was eigenaar van Suriname en had toen drie gelijke eigenaren te weten: de stad Amsterdam, de WIC en de familie van Aerssen van Sommelsdijck. 

Koffie voor Amsterdamse plantage-eigenaren
Ook werd er koffie afgeleverd aan de weduwe Amsinck, een plantagebezitster die in Amsterdam woonde. In 1724 stuurde de Surinaamse Gouverneur Temminck een baaltje koffie en er werd 5627 pond naar particulieren verstuurd. De uitvoer nam vanaf dat moment toe met piekjaren rond 1776. Er kwam toen 10.000 pond aan koffiebonen per jaar aan in Amsterdam, afkomstig van 300 plantages met een totale oppervlakte van 22.000 hectare. Vanaf 1810 daalde het aantal koffieplantages flink door uitputting van de bodem en daling van de koffieprijzen op de internationale markten. In 1862, een jaar voor de afschaffing van de slavernij, waren er nog 37 koffieplantages over met een oppervlak van 1500 hectare. In 1890 was het afgelopen.

Aanleg en werk op de plantages
De plantages lagen langs de rivieren en waren zeer smal, 600 meter breed, en lang zodat er zoveel mogelijk plantages aan de rivier aangelegd konden worden. De rivieren waren belangrijk voor het afvloeien van regenwater, het bewateren van de gewassen maar ook voor het vervoer van de waar naar Paramaribo waar alles verzameld werd voor verscheping naar Amsterdam. De aanleg van de plantages was kostbaar vanwege het graven van kanalen. Het graven en uitbaggeren van de kanalen was een van de allerzwaarste werkzaamheden en was een jaarlijks terugkerende activiteit. Het werk op de plantages werd door slaafgemaakten gedaan. Die waren nagenoeg overgeleverd aan de eisen die de plantage-eigenaren stelden. Ze hadden weinig wettelijke bescherming en werden meestal niet oud.

De steen werd na een brand in 1974 gestolen en in het Douwe Egbertsmuseum gevonden. Zij boden Stadsherstel een replica van de steen aan die nu in het gerestaureerde pand zit.


Sint Nicolaasstraat 58, voor en na restauratie

Bronnen:
Onno Broers, Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen en Hans Brandenburg, huizenonderzoek
Ons Amsterdam 1958 10jg p. 182-183 H.W. Hings. De gevelsteen als document
De koffiecultuur in Suriname, Jan Veltkamp, 18e uitgave Suriname informatie
Gezicht op "Nieuw Amsterdam ofte Nue New Iorx opt' t.Eylant Man", omstreeks 1665

Categorie: Algemeen nieuws